Box 3: de niet-bezwaarmakers

Box 3 de niet-bezwaarmakers
Toch rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers Box 3? Wat zijn de scenario's?

Deel bericht

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Box 3 de niet-bezwaarmakers

Er bestaat volgens de hoogste rechter voor de overheid geen juridische verplichting om ook rechtsherstel te bieden aan belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de Box  3-heffing. Dat heeft iets onrechtvaardigs. Zij betalen immers belasting die in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).  Welke scenario’s ziet het Ministerie van Financiën voor zich?

Scenario 1: Geen rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers
Als geen rechtsherstel wordt geboden leidt dat mogelijk tot verminderd vertrouwen in de overheid, en kan dit tot veel reacties bij de Belastingdienst leiden. Ook kan dit leiden tot een toename van bezwaren in de toekomst, doordat belastingplichtigen bijvoorbeeld bij toekomstige massaal bezwaarprocedures hun rechten willen veiligstellen. Als deze effecten zich voordoen, leidt dit tot een (structurele) belasting voor de uitvoering.

Scenario 2: Volledig rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers
In dit scenario wordt volledig rechtsherstel geboden aan de groep niet-bezwaarmakers volgens de forfaitaire spaarvariant. De bezwaarmakers en niet-bezwaarmakers worden dan op dezelfde wijze gecompenseerd.

In ieder geval belastingplichtigen met verhoudingsgewijs veel spaargeld zijn benadeeld. Dit nadeel zal zwaarder wegen bij belastingplichtigen met lagere vermogens omdat zij gemiddeld genomen minder draagkracht zullen hebben. In dit scenario zal echter meer dan de helft van het rechtsherstel terecht komen bij belastingplichtigen met vermogens boven de twee ton.

Scenario 3: Gedeeltelijk rechtsherstel
Er zijn argumenten voor een beperking van de compensatie tot spaarders (zij zullen gemiddeld de afgelopen jaren – door de consistent lage spaarrente – het zwaarst benadeeld zijn door het huidige box 3 stelsel) en tot mensen met minder hoge vermogens (zij hebben minder draagkracht), maar het is onzeker of dit met het oog op het gelijkheidsbeginsel voldoende rechtvaardiging oplevert.

Van de opties voor gedeeltelijk rechtsherstel moet nog worden onderzocht of deze geautomatiseerd kunnen worden uitgevoerd en wat de gevolgen voor de uitvoering zijn. Het gaat om:

  • Rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant met maximering herstelbedrag
  • Rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant tot een maximum aan vermogen
  • Uitkering vast of variabel bedrag
  • Verhoging heffingvrij vermogen

Scenario 3A: Rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant met maximering herstelbedrag
In deze variant wordt de forfaitaire spaarvariant ook toegepast voor niet-bezwaarmakers, maar wordt het te ontvangen herstelbedrag (indirect) gemaximeerd, op bijvoorbeeld € 500 of € 1.000. Bij een maximering op € 500 krijgen belastingplichtigen met spaargeld tot € 87.000 volledig rechtsherstel; bij een maximering op € 1.000 krijgen belastingplichtigen met spaargeld tot € 117.000 volledig rechtsherstel. Ook belastingplichtigen met hoge vermogens krijgen in deze variant rechtsherstel tot het maximumbedrag.

Scenario 3B: Rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant tot een maximum aan vermogen
In deze variant wordt rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant voor niet-bezwaarmakers met een vermogen tot bijvoorbeeld maximaal € 200.000 geboden via een vermindering van de aanslag. Hiermee wordt het rechtsherstel gericht op belastingplichtigen met lagere vermogens. Een absolute grens kan door de belastingplichtige als onrechtvaardig worden ervaren. Dit leidt namelijk tot situaties die moeilijk uitlegbaar zijn: een belastingplichtige met € 200.001 spaargeld krijgt geen rechtsherstel, terwijl iemand met € 99.000 spaargeld en € 100.000 aan aandelen wel rechtsherstel krijgt.

Scenario 3C: Uitkering vast of variabel bedrag (tegemoetkoming)
Belastingplichtigen met vermogen in Box 3 zouden rechtsherstel kunnen ontvangen door een uitkering van een vast of variabel bedrag. Het zal dan in enkele gevallen voorkomen dat bezwaarmakers minder gunstig worden behandeld dan niet-bezwaarmakers. Bezwaarmakers krijgen immers niet altijd (veel) geld terug op grond van de forfaitaire spaarvariant. Om dit te voorkomen zouden alle belastingplichtigen (ook bezwaarmakers) met een voordeel uit sparen en beleggen over de jaren 2017 tot en met 2020 in aanmerking moeten komen voor een vast bedrag. Voor de bezwaarmakers betekent dit een tweede herstelronde.

Bij uitkering van een vast bedrag worden zowel spaarders als beleggers tegemoet gekomen. Dit omvat dus ook belastingplichtigen die geen materieel nadeel hebben ondervonden van het Box 3-stelsel, en juist voordeel hadden van de forfaitaire rendementspercentages omdat zij een hoger werkelijk rendement hadden. Alternatief zou daarom zijn een variabel bedrag te hanteren. Gedacht kan worden aan een uitkering van geld aan mensen die Box 3 belasting hebben betaald, van wie het spaargeld (na aftrek van schulden) meer dan 67% van het vermogen bedraagt en die maximaal € 200.000 vermogen bezitten.

Scenario 3D: Verhoging heffingvrij vermogen
Het heffingvrije vermogen kan bijvoorbeeld met terugwerkende kracht worden verhoogd € 100.000 in 2017-2020. Vanuit juridisch en maatschappelijk oogpunt moet net als bij optie 3C worden voorkomen dat bezwaarmakers uiteindelijk slechter af zijn dan de niet-bezwaarmakers. Een verhoging van het heffingvrije vermogen zal daarom voor de gehele box 3-populatie moeten gelden.

Beleggers profiteren bij een verhoging van het heffingvrije vermogen net zoveel als spaarders, ongeacht of ze benadeeld zijn. Bovendien zullen ook beleggers met veel vermogen profiteren, ze ontvangen een hoger bedrag.

Let op: Het kabinet verwacht in augustus een keuze te maken en de uitkomsten met Prinsjesdag te presenteren, waarna definitieve besluitvorming zal plaatsvinden. Burgers hoeven nu geen actie te ondernemen om in aanmerking te komen voor eventueel rechtsherstel. Dat deze keuze later valt, gaat niet ten koste van hun rechtspositie.